Duivenoorlog boven Amsterdam
Ooit stonden er ruim tweeduizend duivenkasten in Amsterdam. Onze hoofdstad was de bakermat van de Nederlandse vliegduiven. Dat is helaas verleden tijd. Maar gelukkig kunnen oudere Amsterdamse duivenmelkers er levendig over vertellen. We reizen in gedachten terug naar de gouden jaren van de Helmpies, sokpoten en trippies.
Tekst: Martijn de Bonte, foto’s: Dick Hamer
In veel Europese havensteden is het houden van vliegduiven tot ongeveer de jaren ‘70 van de vorige eeuw de normaalste zaak van de wereld. Zo ook in Amsterdam. Omdat er in de dichtbebouwde stad weinig ruimte is in de tuinen worden de duiven op zolder gehouden. Op het dak wordt een duivenkast gebouwd, dit hok van ongeveer twee bij twee meter torent soms wel vier meter boven de nok uit. Hoe hoger de kast boven alle daken uitsteekt hoe beter. Want dan heeft de duivenmelker een beter uitzicht en kunnen de duiven makkelijker landen. Dagelijks laat de Amsterdamse duivenmelker zijn groep duiven los, de groep met duiven noemen Amsterdammers de Duivenkit. Het doel is vreemde duiven vangen.
Gemengde groepen
Het houden van duiven is in die jaren een sport voor de arbeiders. Als die na het werk thuis komen laten ze hun groep duiven vliegen. Vanaf een uur of vijf in de middag tot het donker wordt, is de lucht boven Amsterdam het toneel van een duivenvangwedstrijd. Interessant is dat iedereen verschillende Nederlandse rassen hield. Een vlieggroep bestond bijvoorbeeld uit Helmduiven (Helmpies), oud-Hollandse tuimelaars (Sokpoten), Tipplers (Trippies), Hagenaars, Amsterdamse baardtuimelaars (Engelsmannetjes) en Nederlandse hoogvliegers. Iedereen had zo zijn eigen voorkeuren. Zo zijn er liefhebbers die een grote groep Hagenaars hebben en daarbij dan een paar zwarte Nederlandse hoogvliegers laten meevliegen om de groep makkelijk te kunnen herkennen in de lucht. Witte duiven zijn populair want die zijn goed zichtbaar in de lucht en daardoor denken sommige duivenmelkers dat ze sneller vreemde duiven aantrekken.
Zolderhokken
De duiven worden doorgaans in zolderhokken gehouden. Het voordeel is dat een zolderhok altijd droog en warm is, dat is goed voor de gezondheid van de duiven. Het nadeel is dat de liefhebber altijd meerdere trappen op moet met de duivenmanden, zakken voer en zand. De Amsterdamse liefhebber is doorgaans erg schoon, logisch, want de duiven worden letterlijk in huis gehouden. Op de vloer wordt zilverzand gestrooid, dat ziet er mooi uit en ruikt fris. De duiven vliegen vaak door een openslaand raam naar buiten, maar landen na de vlucht op het duivenplat. Dat leren de duiven van jongs af aan. Het duivenplat is het landingsplatform bovenop de duivenkast. Op het plat staat de knip. Een kooi met openslaande zijkanten, deze kunnen door middel van touwtjes worden bediend. Als er een vreemde duif op het plat zit, kan deze worden gevangen door de duif naar de knip te lokken met wat voer en de knip vervolgens dicht te laten vallen. De knip wordt ook gebruikt om nieuwe duiven te laten wennen, ze kunnen vanuit de knip goed de omgeving bekijken. Bovenop de knip zit het kruishout, daarop zit de brasser.
Brasser
Liefhebbers vertellen dat als de groep wordt losgelaten deze ongeveer 30-45 minuten vliegt en ook wegtrekt naar andere wijken. Om de duiven naar het plat te lokken wordt er gebruikgemaakt van een lokker, of zoals Amsterdammers zeggen een brasser. Door deze witte duif te laten fladderen wordt de groep naar beneden gelokt. Na het vliegen scharrelen de duiven rond op het duivenplat, op commando van de duivenmelker vliegen ze weer op. Omdat ze al hebben gevlogen, vliegen ze dan kort wat rondjes boven het plat en landen weer. Iedere keer als de melker een vreemde duif (vreempie) ziet jaagt hij de groep de lucht in. Als de vreemde duif in zijn groep terecht is gekomen dan is het zaak om de groep snel te laten landen. Hoe langer de duiven doorvliegen, hoe groter het risico dat de vreemde duif uit de groep valt.
Liever niet tuimelen
Het liefst zien de Amsterdammers een hechte groep duiven die zoveel mogelijk boven de duivenkast vliegt. Duiven die tuimelen zorgen voor onrust in de groep met duiven. En een tippler vliegt hoger en langer dan bijvoorbeeld een helmduif, maar in een goede groep blijven al deze soorten toch goed bij elkaar. Het vangen is een levendige bedoening. Sommige liefhebbers vangen makkelijk tien vreemde duiven per week. Soms lukt het zelfs om een hele groep vreemde duiven in één keer te vangen. De Amsterdamse vliegduiven worden vaak voorzien van een naamstempel onder de vleugel. Zo weet je wie de eigenaar is. Als dat een vriend of kennis is, dan geef je de gevangen duif terug. Zo niet, dan gaat de duif naar één van de duivenhandelaren in de stad, of op zaterdagmiddag naar de Noordermarkt.
Noordermarkt
Iedere Amsterdamse duivenmelker vertelt met weemoed over de Noordermarkt. Daar was iedere week een levendige handel. Je brengt er je gevangen duiven, koopt nieuwe duiven en haalt er duivenvoer. En niet onbelangrijk, het is dé ontmoetingsplek om andere duivenmelkers te spreken. Er ontstaan vriendschappen, maar er zijn ook vechtpartijen over duiven die niet worden teruggeven. De duiven worden verhandeld voor twee gulden of een rijksdaalder per stuk. Bijzondere duiven zoals mooie, geëksterde oud-Hollandse tuimelaars zijn meer waard. Mooie stelletjes kunnen wel vijftien gulden opleveren. Frappant is dat handelaren meer geld rekenen voor mensen van buiten de stad, dan voor Amsterdammers. Regelmatig ontsnappen er duiven op de markt, in die jaren had er iemand een duivenkast pal naast de markt. Die is iedere zaterdag spekkoper, want hij kan de ontsnapte duiven vangen.
Tegenslagen
Ook in de gloriejaren van de Amsterdamse duivenkasten gaat niet alles van een leien dakje. Zo is er in die tijd veel minder kennis over gezondheid en ziektes dan vandaag de dag. Als het paramyxovirus voor het eerst rond gaat is er geen medicatie of vaccinatie. Veel duiven gaan dood en voor sommige liefhebbers is dat een reden om te stoppen met de duivenhobby. Ook de Tweede Wereldoorlog laat zijn sporen na. Op last van de Duitse bezetter moeten alle duiven worden afgemaakt, uit angst dat de duiven worden ingezet om boodschappen over te brengen. Alleen in het duivenpark van Spruyt in Gouda mogen legaal duiven worden gehouden. Maar in Amsterdam zijn er mensen die hun geliefde duiven verstoppen tijdens de oorlogsjaren. Met veel moeite komen ze aan eten om de duiven in leven te houden tijdens de Duitse bezetting. Mede door deze dappere duivenmelkers kan het vliegen met de oud-Hollandse duivenrassen na de oorlog weer snel worden opgebouwd.
Afname
Er zijn meerdere factoren die de teloorgang van de duivensport in Amsterdam hebben veroorzaakt. De komst van televisieantennes maakt het vliegen lastig, zeker jonge duiven landen vaak op een antenne in plaats van op het duivenplat. Maar de belangrijkste oorzaak is de stadsvernieuwing, een arme wijk als de Jordaan waar vroeger niemand wilde wonen, is nu een van de duurste wijken van ons land. De arbeiders die de duivensport beoefenen vertrekken langzaam maar zeker naar de randen van de stad. Of ze zoeken hun heil buiten Amsterdam. Met de duivenliefhebbers verdwijnen ook de duivenkasten uit de binnenstad. Ook de opkomst van tentoonstellingen heeft invloed op het animo voor de vliegduivensport. Tijdens de hoogtijdagen zijn er maar liefst vier sierduivenverenigingen in Amsterdam. De serieuze tentoonstellingsfokkers vliegen meestal niet met hun duiven, uit angst om hun waardevolle kweekdieren kwijt te raken. Zo verdwijnt de vliegduivenhobby met de duivenkasten in de jaren ‘70 en ‘80 langzaam maar zeker uit de stad.
Duiven vangen voor geld
Voor dit artikel sprak ik onder andere met Henk Schultz. Een rasamsterdammer, die met Amsterdamse tongval kleurrijke anekdotes vertelt: ‘Als jochie wilde ik graag duiven houden, maar daarvoor had ik geld nodig. Net voor Kerst leverde slachtduiven een gulden per stuk op. Dan ging ik samen met een vriend ‘s morgens vroeg naar de Dam. We lokten dan de stadsduivenmet wat voer en lieten ons met onze jas wijd open op de duiven vallen. Zo vingen we duiven, dat was een leuke bijverdienste.’ Een andere manier om aan nieuwe duiven te komen was alle hokken schoonmaken van een bevriende duivenhandelaar, als dank kreeg hij dan een paar duiven mee naar huis. Schultz is nu zeventiger, maar hij heeft nog steeds duiven. Niet meer op een duivenplat, maar in een hok in de tuin. Hij is trouw gebleven aan zijn eerste liefde: de Nederlandse hoogvlieger. Tijdens de laatste tentoonstelling van de sierduivenclub in Amsterdam had hij de mooiste sierduif met een zwartwitschild. ‘Het zit in je bloed, ik kan niet zonder duiven.’
Kader: De vliegende Hollander
Veel Nederlandse sierduivenrassen zijn van oudsher echte vliegduiven. Eeuwenlang werden ze
gehouden voor het vliegen, bijvoorbeeld op de Amsterdamse duivenkasten. Door de opkomst
van tentoonstellingen en het invoeren van standaarden zijn veel rassen gemoderniseerd. Deze
modernisering heeft ervoor gezorgd dat veel rassen hun oorspronkelijke vliegcapaciteit
verloren. Maar er is een groep fanatieke liefhebbers die zich richt op het vliegen met deze oud-
Hollandse rassen en zo dit levend erfgoed in stand houden. In deze serie: ‘De vliegende Hollander’ vertellen liefhebbers over hun favoriete Nederlandse vliegduif.
