‘Ik vind het wel mooi zo,’ zegt Thomas Flapper (63). Hij kijkt omhoog naar zijn Nederlandse hoogvliegers. Die vliegen met hoge snelheid boven de Friese weilanden. De groep danst omhoog en omlaag, draait en zwenkt. Thomas: ‘Van een afstand lijkt het net een groep bijen.’

Tekst en foto’s: Martijn de Bonte

Naar eigen zeggen is de nuchtere melkveehouder niet zo’n prater. Maar als we het duivenhok in stappen, komen de verhalen vanzelf. Hij vertelt dat hij als 14-jarig jongetje had gehoord over mijnheer Vinke, een duivenliefhebber met goede Nederlandse hoogvliegers. Na wat aandringen wilde zijn moeder hem ernaartoe brengen met de auto. Ze werden hartelijk ontvangen, het hokbezoek maakte veel indruk. Vinke had een echt Amsterdams duivenplat met een groep Nederlandse hoogvliegers. Thomas: ‘Ik kan veel dingen die hij vertelde nog letterlijk herinneren. Bijvoorbeeld dat je de duiven één eetlepel voer per dag moet geven en om de dag moet loslaten.’ Sommige duiven van Vinke ziet Thomas bijna vijftig jaar later nog steeds voor zich. ‘Ik noem het weleens mijn jeugdtrauma, want sindsdien kom ik altijd weer terug bij de Nederlandse hoogvlieger.’

Veel actie

‘Dit zijn mijn duifjes’, zegt Thomas in het hok terwijl hij wijst naar de gele en rode hoogvliegers. ‘Ze zijn kloek om te zien met een ronde kop, slanke hals en gespierde bouw.’ Hij kweekt ieder jaar met 15 tot 20 koppels, de kweekduiven zitten in een ruim zolderhok. De jongen gaan naar het vlieghok in de tuin. Hij vliegt doorgaans alleen met de jonge duiven, die zorgen voor de meeste actie in de lucht. Thomas vertelt dat de meeste liefhebbers alleen vragen hoelang de duiven vliegen. Voor hem is dat minder belangrijk dan het juiste spel. De duiven moeten in een hechte groep vliegen en veel actie laten zien.

Kurkentrekker

Als het hok open gaat kiezen de Nederlandse hoogvliegers het luchtruim. In cirkels schroeven ze omhoog en dansen als stipjes hoog in de lucht. Plotseling duiken ze met z’n allen omlaag in een kurkentrekkerbeweging, je hoort de vleugels suizen. Ze scheren nu vlak over de weilanden, even later schroeven ze weer omhoog. Zo is er continu actie. Deze manier van vliegen kost veel energie, meestal vliegen ze ongeveer een uur. Maar tijdens de rui is het soms maar een half uur en op mooie dagen ook wel eens twee uur.

Niet in de regen

Er is ook een andere lijn van vliegende Nederlandse hoogvliegers. Die zijn gemaakt door het tentoonstellingstype van de Nederlandse hoogvlieger te kruisen met tipplers. Deze duiven zijn wat groter en vliegen langer. Thomas heeft ze ook gehad: ‘Die vlogen makkelijk vier uur, maar lieten bijna geen actie zien in de lucht. Ze vliegen alleen meer rondjes, hoog in de lucht. Mijn duiven van de Vinke lijn vliegen nog hetzelfde als vijftig jaar geleden, met continu actie. Dat zie ik graag.’ Zijn duiven vliegen makkelijk, hij laat ze ook los als het waait, alleen boven windkracht vijf blijven ze binnen. Bij regen houdt hij ze ook vast, want de roden en gelen hebben weinig poeder op de veren. De regen glijdt niet van ze af maar gaat in de veren zitten, daardoor hebben ze moeite met in de regen vliegen.

Training

Wat betreft de verzorging heeft Thomas geen geheimen. De hokken zijn ruim en functioneel, hij geeft goed voer, vitamines en regelmatig wat groenvoer. Bijvoorbeeld sla of vogelmuur. Medicatie heeft hij eigenlijk nooit nodig, de duiven zijn sterk en kerngezond. De jonge duiven laat hij tien dagen rondom het hok scharrelen, daarna begint de training. Hij jaagt ze op en dan zoeken ze elkaar al snel op in de lucht. Al snel ontstaat er een hechte groep. Soms heeft hij wel eens een duif niet goed met de groep mee kan komen, die selecteert hij dan uit, maar doordat de stam goed is doorgefokt komt dit maar zelden voor.

Rood en geel

De melkveehouder heeft een voorkeur voor rode en gele duiven, die kleuren spreken hem het meest aan. Hij heeft ze in eenkleurig (roek), witpen, rozetgetijgerd, schildgetijgerd en witschild. De witschilden moeten helemaal gekleurd zijn met een spierwit schild. Dat is een uitdaging in de kweek, want ze worden snel te wit. Ze krijgen dan bijvoorbeeld een witte snip, witte slagpennen of een witte rug. Bij de samenstelling van de kweekkoppels paart hij daarom nooit witschild keer witschild, maar combineert hij bijvoorbeeld witschild met rozetgetijgerd. De kleuren geel en rood worden door elkaar gefokt, dat helpt om te voorkomen dat de gelen haarveren krijgen. Tijdens het bezoek zitten er ook een aantal zwarte Nederlandse hoogvliegers in het hok, maar die vliegen net wat minder dan de rode en gele en gaat Thomas daarom weg doen.

Nederlands erfgoed

In de loop van de jaren heeft Thomas verschillende rassen in zijn hok gehad, zo heeft hij 25 jaar lang Boedapester Hoogvliegers gehad. Die had een dorpsgenoot voor hem meegenomen uit Hongarije. Duiven die wel acht uur lang vliegen, maar hij raakte er veel van kwijt doordat ze vervliegen. Daarom is hij gestopt met de Boedapesters. En welk ras hij ook had in het verleden, altijd kwam hij weer terug bij zijn jeugdliefde: de Nederlandse hoogvlieger. Ze zijn makkelijk in de kweek, erg vitaal en Thomas vindt het mooi om Nederlandse erfgoed in stand te houden. De fokkers die zich bezighouden met het vliegtype van de Nederlandse hoogvlieger zijn op één hand te tellen, dus nieuwe fokkers zijn welkom.

Showtype

Over de naamgeving van de Nederlandse hoogvlieger is veel discussie geweest in de afgelopen decennia. De Nederlandse hoogvlieger was pakweg zestig jaar geleden een klein vlot duifje, dat goed kon vliegen en kon worden geshowd. De duiven die Thomas in zijn hokken heeft kon hij destijds gewoon showen. Maar om de Nederlandse hoogvlieger te verfraaien zijn er op een gegeven moment kingduiven en modena’s in het ras gekruist. Daardoor zijn ze groter geworden, is de stand horizontaler en heeft de kop meer vulling gekregen. Het nadeel van de focus op het uiterlijk is dat de tentoonstellingsdieren niet goed vliegen. Door de modernisering kunnen ze de naam hoogvlieger niet meer waarmaken.

Amsterdamse hoogvlieger

Mijnheer Vinke en ook Schwabing, net over de grens in Duitsland, hielden tijdens de modernisering van het ras vast aan de oorspronkelijke dieren en hebben zo het vliegtype veilig gesteld voor de toekomst. Uiteindelijk zijn deze kleinere, vlotte vliegduiven nu erkend als eigen ras, onder de naam Amsterdamse hoogvlieger. Thomas noemt zijn duiven liever Nederlandse hoogvliegers, omdat deze nog origineel zijn, in tegenstelling tot het tentoonstellingstype, dat wezenlijk is veranderd ten opzichte van vroeger. Maar echt druk maakt hij zich niet om deze discussie. Hij showt jaarlijks een aantal van zijn duiven bij de Sierduivenshow Noord Nederland (SNN), dat doet hij om het ras te laten zien en voor de contacten met bevriende liefhebbers. Hij doet niet mee voor de punten, want het vliegen is voor hem belangrijker dan winnen op de tentoonstelling.

In de toekomst wil Thomas werken aan het verbeteren van de kleuren, hij houdt van duiven met een diepe, intense kleur. Hij denkt er ook aan om witstaarten erbij te nemen voor wat meer variatie. Maar verder hoeft er niks te veranderen, want hij geniet iedere dag van zijn duiven. ‘Als ik op het land bezig ben, zie ik ze vanaf de trekker vliegen en spelen.’ Levend erfgoed boven het Friese boerenland.

Kader: De vliegende Hollander

Veel Nederlandse sierduivenrassen zijn van oudsher echte vliegduiven. Eeuwenlang werden ze gehouden voor het vliegen, bijvoorbeeld op de Amsterdamse duivenkasten. Door de opkomst van tentoonstellingen en het invoeren van standaarden zijn veel rassen gemoderniseerd. Deze modernisering heeft ervoor gezorgd dat veel rassen hun oorspronkelijke vliegcapaciteit verloren. Maar er is een groep fanatieke liefhebbers die zich richt op het vliegen met deze oud-Hollandse rassen en zo dit levend erfgoed in stand houdt. In de serie: ‘De vliegende Hollander’ vertellen liefhebbers over hun favoriete Nederlandse vliegduif.